Reisverslag Peter en Joke [juli/augustus 2007]

Reisverslag Rotterdam-Surduk juli/augustus 2007

Joke en Peter met de Opel Astra [“de Toon”].

Peter en Joke, aan de lunch.

Eerste deel van het reisverslag

Eind juli, midweeks om 9 uur ’s ochtends vertrokken van het kasteel richting Arnhem en daar Duitsland binnengereden. De kennismaking met de autobahn was even wennen voor mij en de Astra, sinds januari in bezit. Merkte dat 140 per uur al knap hard was; moest me terdege concentreren op het rijden en zelfs muziek was nicht im Frage!De bundesautobahn (BAB) bleek wel een gewaarwording: goed wegdek en lekker ruim, afgezien van regelmatig opdoemende “Sperre”. Kortom, ideaal om kennis te maken met je automobiel.
Het plan was zo ver mogelijk door te stoten in Germany en een rustig campinkje te spotten. Wurzberg in het hart van Duitsland liggend, op 460 km van Arnhem, fungeerde als eerste mikpunt. Onderweg volgde bijstelling van het reisdoel en uiteindelijk vorderden we een extra 250 km in zuid(oost)elijke richting. Om kwart over zes rolden we het dorpje Laaber binnen, zo’n 50 km ten zuiden van Regensburg.

De ANWB-campinggids-Europa had ons de weg gewezen en een dik uur later, na wat problemen met de tentstoks, stond de buitentent. Zonder binnententen, die waren niet nodig, want muggen werden alleen in Surduk verwacht, was sprake van een enorme ruimte zodat wij over genoeg “room to move” beschikten. Na in het bijbehorende restaurant eten en drinken genuttigd te hebben, tevreden de slaapzak opgezocht. Morgen rustdag!

Het tweede deel van het reisverslag

Uitgerust en vol goede zin vrijdag rond tienen de bab weer opgezocht richting Passau. De linkerbaan werd als vanzelf gevonden en slechts verlaten bij achteroprazend verkeer! We schoten lekker op. Met autobahnvignetten op de voorruit werd de Oostenrijkse grens vlot gepasseerd. Het nu geldende reisdoel was Hongarije te bereiken. Echter voor Wenen liet deze rijstijl me in de steek doordat ik bij het naderend einde van een nauwe 2-baans “Sperre”reikhalzend anticiperend slechts oog had voor de – komt ie – verbreding van de weg en direct gassend het linkerdeel opzocht, terwijl tegelijkertijd aan de rechterkant een afslagbord passeerde. Foutje, die moesten we net hebben (leermoment zeggen ze dan in Surduk). Al met al een uur verspeeld door nu in plaats van langs Wenen dwars door de stad te moeten karren en uiteindelijk uit te komen op de E60 richting Boedapest.

Eenmaal uit de stad bleek het rijgedrag van velen chaotisch: misschien dat het naderend weekeinde hen parten speelde, maar gedurende zeker een half uur was het voortdurend wisselen van baanhelft en elk gaatje vullen schering en inslag. De rechterbaan houden was geen optie, dat schoot echt niet op. Maar dit “opschieten” was ook geen lolletje. Hier kwam pas een einde aan zodra de weg zich verbreedde.

Het goedkoopste tolvignet werd aangeschaft bij de Hongaarse grens en ook de campinggids ter hand genomen. Nabij Györ, zo’n 100 km landinwaarts aan de E60, was een camping met “mooi uitzicht”. Al rijdend richting Pannanhalma, de E60 al achter ons en nu een zuidelijke koers aanhoudend, zie je van kilometers ver het bij behorend middeleeuws klooster bovenop een heuvel eenzaam in de vlakte liggen. Dat maakt benieuwd naar de camping, waar we in de namiddag door twee Belgen verwelkomt worden. Zij hadden hier in Magyarenland al sedert lang hun caravanstekske gevonden.

De camping lag in terrassen steil tegen de heuvel en bood een weids uitzicht op de net doorstoken vlakte. Omzoomde tentplaatsen lagen hogerop, terwijl caravans het onderste terras bezetten. Stil was het hier; lekker na al die Weense hectiek. Eenmaal gezeten voor de nu vlot opgezette tent was het gedaan met de rust: een waar hondenconcert diende zich aan met geblaf in allerlei toonsoort en volume! Jo opperde dat we nabij een kennel kampeerden…, wisten wij veel dat op het platteland het bezit van een waakhond regel is. Dat leerde mij de campingbaas, die blij was met onze komst. Meestal passeerden toeristen zijn mooie stek op weg naar het meer in trek zijnde, zuidelijk gelegen Balatonmeer.

Zijn gemoed kracht bijzettend beloofde hij voor de komende avond rond tienen Nino Rossi live-muziek. Toen we omstreeks 5 voor 10 die avond heus trompetgeschal de inmiddels rustige zomeravond openbrak, bleken wij Nino te kennen uit een ver verleden. Klonk te gek hoor, die grammofoon op vol volume over de camping op de heuvel. Morgen een rustdag en Györ checken: we zoeken een luchtbed. Er is proefondervindelijk lekkage vastgesteld en “flat on the floor”klinkt beter dan het ligt…

Het derde deel van het reisverslag

In Gyor bleken zaterdag de winkels gesloten uitgezonderd de ‘totaalwinkels’, die heel groot zijn en van alles te koop hebben. Behalve luchtbedden… , dan maar zonder!
’s Avonds lekker Hongaars gegeten in een plaatselijk restaurant op loopafstand van de camping.
Opmerkelijk was dat wat aldaar paprika genoemd wordt en gemalen in een potje op tafel stond, toch pure sambal bleek te zijn. Tenslotte gaf het lekke luchtbed niet al te veel problemen, keertje extra pompen ’s nachts, zodat we tegen tienen zondagochtend vertrokken voor de laatste etappe via Boedapest naar Belgrado.

Helaas was ik ietwat te opgeruimd opgestaan; had het niet nodig geacht de route nog eens te checken en dacht dat wat volgde een eitje zou zijn. Voor Boedapest volgde mijn straf:
terwijl wij de afslag Szeged – Balaton passeerden en recht op de hoofdstad afkoersten, begon er iets te knagen. Szeged stond op mijn route, maar Balaton niet… Eenmaal de Donau over en in de stad beland werden we om de oren geslagen met talloze M-(wegen)borden. Maar het M3-bord hield zich het komende uur schuil. Uiteindelijk bleek een pompstation de gouden tip te hebben om het inmiddels hete Boedapest via de buitenwijken te verlaten. Opgelucht, na vele malen de Donau gekruist te hebben, reden wij landelijk Hongarije in en ontdekten dat de plaatselijke coöperatieve winkels open waren. Na een lunch met vers gekochte melk kwam de M3 weer in zicht en wat later de afslag Szeged, die nu alsnog na dik twee uur ingeslagen werd.

Het oversteken van de Servische grens ging zonder veel oponthoud en al snel veranderde de meerbaans- in een enkelbaansweg. Ik besloot een Duitse Mercedes als gids te volgen, waardoor we toch redelijk opschoten. Na eenmaal een van de vele parkings langs de weg benut te hebben, kwam Novi Sad in het vizier. Ook in Servie diende – twee keer 5 Euro – tol betaald op de slechts sporadisch en kortdurend zich verbredende weg. Uiteindelijk volgden borden Beograd, waardoor het Surduk-‘bord’ niet lang meer kon uitblijven, zo dacht ik. Dat was een misvatting, want zo’n bord is er niet langs de weg naar Belgrado.

Thuis had ik op Google-Earth gezien dat Surduk ten noorden van Belgrado ligt en aangenomen dat er wel een ‘afslag’ Surduk zou zijn. De meest recente informatie uit Surduk was te stoppen bij de kerk en daar Ruud te bellen.

Vermoeid en ietwat wanhopig reden we in de zondagse namiddag Belgrado binnen. Ik spotte een bord Beograd-Nord en hoopte daar een Surduk-bord te vinden, echter zonder resultaat. Uiteindelijk stopten we bij een enorm winkelgebouw, waar af en toe wat mensen te zien waren.
Hier zouden we Surduk bellen, maar de Servische nummers op Jo’s mobiel gaven geen sjoege. Mijn mobiel had inmiddels helemaal de geest gegeven – lege batterij – evenals de leesbril, waarop ik in een down and out moment was gaan zitten. We zouden de locals moeten raadplegen.
Een vriendelijke Serf meende op mijn de-weg-naar-Surdukvraag, dat ik zo’n 250 km terug naar het noorden moest rijden… ??? Het verlossende woord sprak tenslotte een winkelwerknemer: terug naar de “highway” richting Novi Sad en de afslag Batajnica nemen.

Wij blij en opgewonden de weg naar Novi Sad weer ingeslagen. De vermoeidheid sloeg inmiddels toe: hoe heette die afslag ook al weer, Be.., Bo.., Ba…? Na een half uur rijden en spanning verscheen de afslag Batajnica, dat moest ‘m zijn, de afslag naar Ruud en Marijke. De ontspanning was compleet toen al vrij snel het eerste Surduk-bord opdook. De wegen waren hier niet best, met af en toe verraderlijke verkeersdrempels. De landelijke omgeving deed me aan noordelijk Nederland denken: uitgestrekte vlakke akkers met mais en dergelijke; lekker ademen met al die ruimte!

Dat we hier te maken hebben met platteland bleek met name in Surduk zelf. Bij de kerk aangekomen stopte ik om de weg te vragen aan een man, die net de kerk verliet. Na het adres bestudeerd te hebben, riep hij uit: “Aah, Rudi i Maria”! Het was de priester van het dorp.
Omdat uitleggen “kompliziert” was, nodigde deze behulpzame mens ons uit een paar tellen te wachten. Tussentijds passeerde een koe,die gemoedelijk door het open autoraam oogcontact zocht en al kuierend op de provinciale weg een naderende bus tot staan bracht. No problem, koeien hebben hier voorrang.
Inmiddels ging een metalen hek open aan de overkant van de weg en kwam de priester met zoontje in een oude Zastava aangereden en ging ons gierend voor. Bij de rand van het dorp sloegen wij rechtsaf een geitenpad in en na nog eens linksaf en een paar honderd meter werd gestopt bij een oranje ‘casa’. De priester stapte uit en brulde “Rudi..Maria” staande voor het hek, dat een flinke voortuin afschermde.
Rond de klok van zeven uur hadden Jo en ik ons reisdoel bereikt. Een heerlijk gevoel na al die (in)spanning! De priester hebben we een paar dagen later op Marijke’s slava nog eens de hand kunnen schudden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*