Zet de koekepan maar vast op

Van de week staan we te vissen op het strand van Hoek van Holland. De visbuur met zijn hond en Ruud. Marijke is nog niet helemaal hersteld van haar bronchitis, dus blijft ze thuis. Bovendien wil ze nog kokkerellen, eten voor morgen voorbereiden.

Jonge kabeljauw heet gul Jonge kabeljauw heet Gul

We staan daar op het heiige, bijna windstille strand. Ondanks de slechte vangstberichten die we al eerder die dag in een hengelsportwinkel opvingen. Alleen bij Scheveningen is het goed vissen, was de boodschap.

Scharretje, een platvis  Schar

Na een uur of drie hengelen op de verkeerde plek, op het Hoekse strand dus, hebben we maar één keertje beet gehad en verder helemaal niks. Echt, helemaal niks. Afgaand water, opkomend water, het maakt helemaal niets uit. De zeevissen liggen massaal te slapen, zullen we maar zeggen.

Wat er werkelijk aan de hand is, weten we wel. Het zeewater is relatief koud, vanwege de vorst van de afgelopen dagen. Garnalen trekken daarom niet richting kust. Ze blijven in dieper water, dus blijft onze vis daar ook. Want honger hebben ze echt wel.

We zien een paar aalscholvers en futen op zee naar vis jagen. Maar na korte tijd vertrekken ze weer. Ook dat is al een teken dat de vis verder weg en dieper zit. Eigenwijs als we zijn, maar ook omdat het fantastisch is om op zo’n eenzaam strand te zijn met een bulderende branding, blijven we toch doorgaan met vissen.

Voor Ruud het uitgelezen moment om te leren gooien met een zeevishengel. Van meer dan vier meter lengte. Want dat is wel even wat anders dan met je karperhengeltje ingooien.

De te overbruggen afstand bij het karpervissen is al minder, evenals het gewicht van je werplood. Ook hier geldt dat je met de juiste techniek moet werpen. Veronachtzaam je die, dan gooi je je complete onderkant van je vislijn af. Weg lood, weg haakje, weg voerkorf, weg onderlijn. En dan moet je daarna met je “kouwe klauwe” er weer lijn met alles erop en eraan aan vast gaan knopen.

Wijting smaakt heerlijk  Wijting

Vanaf het strand moet je toch zeker wel een honderd meter ingooien. Het liefst nog verder. Natuurlijk heeft dat allemaal te maken met het reliëf van de zeebodem. De diepe plekken liggen meestal ver uit de kust of juist weer dichtbij. De zee is grillig. Ligt er een zandbank onzichtbaar onder water, is het daarachter wel diep of net ervoor? Als het te ondiep is, dan jaagt daar geen vis op voedsel. Maar misschien een paar meter verderop, bij dat diepe gat, dus wel. Want daar zitten de garnalen.

Ruud staat te gooien als een ouwe krant. Volgens de visbuurman. Het brok werplood van 150 gram ploft misschien op een veertig meter wanhopig in zee. “Gebruik de top van je zeehengel als een katapult en je lichaam ook”, zegt de visbuurman. En hij doet het talloze keren voor. Bijna niet meer te zien, zo ver gooit hij zijn werplood in zee.

Zeebaars  Zeebaars

Na ruim een uur of langer oefenen, met tussenpozen want het is ongeoefend best zwaar, gaat het werplood steeds verder de zee in. Prachtig om te zien hoe het door de lucht suist en dus je hoofd heeft gemist. En de visbuur blijft maar nee schudden met zijn hoofd….
En Ruud blijft maar nee schudden met zijn hoofd, want de ervaren visbuur gooit weliswaar ver, maar vangt ook helemaal niks.

Misschien dat we “met de kennis van toen” een goed besluit hebben genomen om bij de Hoek te gaan vissen. Maar dat we “met de wetenschap van nu” beter thuis hadden kunnen blijven [met dank aan Jan Peter ten tijde van het Irak-debat van afgelopen week].

Leuk Visduo Leuk Visduo

Maar “met de kennis van toen en de wetenschap van nu” waren we dat heerlijke zakje eigen gemaakte patat van de Hoekse frietkraam na afloop van de vissessie ook misgelopen.
Eén ding weten we zeker: haal de koekepan maar weer van het vuur, Marijke!

Dit bericht is geplaatst in Vissen. Bookmark de permalink.